wie ben ik

Wie ben ik?

Nummer tien alweer in een serie blogs welke ik ‘op verzoek’ ben gaan schrijven. Vanuit mijn aloude rol als ‘psychiatrisch verpleegkundige’; waarmee ik mijn visie op actuele thema’s rondom psychiatrie mag geven. Ik doe dat met plezier. Soms liggen de onderwerpen voor het oprapen (ik herinner mij goed mijn eerste blog naar aanleiding van een uitspraak van Bram Bakker dat ‘voor sommigen de aloude paviljoens aan de rand van het bos nog wel goed zouden zijn’ (een stelling die ik van harte onderschreef!) en niet voor niets moet ik nu weer aan die eerste blog denken.

Want soms ook liggen de onderwerpen niet zomaar voor het oprapen, en dan kom ik –bijna vanzelf- tot een wat beschouwelijker stuk tekst. Zoals deze keer.

Wel zijn er twee gebeurtenissen, recente gebeurtenissen, die hierin een rol spelen. Ik noem ze beide:

  • Al ruim vijf jaar organiseer ik samen met een oud-collega een reünie van ‘tijdgenoten’ van het oude psychiatrisch ziekenhuis. Organiseren is een groot woord. De hedendaagse ‘social media’ helpen ons enorm: we prikken een datum (is steeds in november/december geweest) en we noemen de plek (onze aloude stamkroeg waar we zelfs s’morgens na een nachtje werken een biertje konden drinken) en ‘voila’, de reünie is geregeld! De eerste keer kwamen er veertig man. ’t Zijn er ook wel eens twaalf geweest (met slecht weer) maar áltijd is het gezellig en is het ophalen van oude herinneringen niet van de lucht! Deze reünies waren voor mij aanleiding heel recent (twee weken geleden) een facebooksite op te richten met de titel ‘X-herinneringen’ (waarbij de X staat voor het psychiatrisch ziekenhuis waar wij werkten) en het loopt storm! Binnen een week 160 leden, en tig-keer meer verhalen, foto’s, herinneringen. De ‘code’ is: niemand kwetsen een geen patiëntennamen noemen (noch foto’s van patiënten) en iedereen houdt zich daar keurig aan. Ik kom er zo op terug!
  • Vorige week was ik omwille van een medische ingreep voor de eerste (en hopelijk enige keer) van mijn leven ‘klant’ in de gezondheidszorg. Moet ik toch bijna zestig worden om dat eens mee te maken… En nee, niet in de psychiatrie, maar keurig in een ‘gewoon’ ziekenhuis met een gewone O.K. en … met al het nieuwe wat ik mocht ervaren.

En ook dát heeft met deze blog te maken. Ik zal proberen er een touw aan vast te knopen. Hoeft u dat niet te doen…

Ik ga u niet vervelen met de aard en aanleiding van de medische ingreep (dat gaat u lekker niks aan…) maar wat ik er wél over kan vertellen is dat het wel even ‘serieus’ was. Dat het maar één dag duurde. Dat ik ‘onder volledige narcose moest’. En dat ik, zoals het een man betaamt, mezelf behoorlijk ziek en zielig voelde. En dat dóet wat met je. Je stapt s’morgens vrolijk met je stoere leren jas en flitsende gympen een ‘cultuurtje’ binnen waarin je in no-time je kleding in de kast hebt hangen, twee polsbandjes om krijgt, er temp, pols, tensie wordt gemeten en, bovenal, je met een charmant half/half lichtblauw voorschort (met knoopjes op de rug) in je blote kont in bed wordt gestopt. Maar niet nadat “u even uw best moet doen om te plassen”. Ik geloof dat er niet meer dan zeven minuten en 28 seconden voor nodig was om van ‘mens’ tot ‘patiënt’ te transformeren. Dat wat het met me deed echter zat niet in die blotebillenparade op zich, maar zat hem in het ‘overgeven’. En nee, dan bedoel ik niet die zure kledder in een bakje, maar je ‘overgeven áán’. Het ‘je lot in handen geven van mensen die daarvoor geleerd hebben’. Het klinkt dramatisch… en dat is het ook! Want ja, ook de narcose was voor mij voor ’t eerst van mijn leven. En dan moet je helemaal loslaten! (Achteraf vond ik het wel een mooie ervaring… het begint en dan… is het voorbij! Heel psychedelisch!) Maar de gedachte álle controle (ALLE ! ) uit handen te moeten geven aan een flitsend team van in groen kledij vermomde figuren; in de stiekeme hoop dat ze je én weer wakker zullen maken na afloop én niet per ongeluk het verkeerde been zullen amputeren (dit laatste is ‘figuurlijk’) geeft toch een raar gevoel. Ook best wel een ‘angstig gevoel’ in zekere zin.

Ik had heel veel aan de ‘opnamezuster’ van de afdeling dagverpleging van het ziekenhuis. Ze stelde zich voor als ‘Pam’, en was van mijn leeftijd. (Onmiddellijk dacht ik: iemand héét geen Pam. Dat is ‘Pamela’ geweest maar haar midlifecrisis-achtige manmoedigheid heeft haar verstoerd tot ‘Pam’. En meteen corrigeerde ik mijzelf weer met ‘hoe haal je dát nou weer in je hoofd’?) Maar die stoere Pam voelde op d’r Zweedse klompen aan dat ik bést een portie geruststelling kon gebruiken. En dat gaf ze me. Als van nature… precies met de woorden die ik op dat moment nodig had. Zowel vóór als na de ingreep. In bovenstaande paar regels zit in ál zijn simpelheid verstopt hoe ‘nodig’ je het kunt hebben om, op het moment dat je ‘ziek en zielig’ tot patiënt verklaard wordt én in totale afhankelijkheid belandt, er toch nog een ‘Pammetje’ bestaat die je houvast kan geven. (En grappig genoeg dringt zich nú, tijdens het schrijven, pas de associatie op met de verslavende ‘pammetjes’ als afkorting van ‘oxazepam’ (seresta) ofwel het aloude angstdempende geruststellende wondermiddeltje. Nou, geef me dán de in wit pak gehulde gekrulde versie maar die mij troostend mij wankel van de narcose naar het toilet begeleidde!

Mijn avondtuur in het ziekenhuis is alweer vier dagen geleden en ik lik mijn wonden (bijna letterlijk) en ga morgen weer gewoon aan het werk. Klaar ermee. Maar wel een ervaring rijker.

En onderhand trilt mijn telefoon steeds weer als er wéér een nieuw berichtje binnenkomt op mijn facebooksite waarin ál die oud-collega’s (psychiatrisch verpleegkundigen) weer een opmerking, een vraag, een foto of een anekdote toevoegen. En daarin ontstond een opmerkelijke associatie met voorgaand bericht.

Eén van de deelnemers schreef, nadat hij opende met ‘wat leuk, deze site’ met een nogal zelf-kritisch bericht over onze wijze van werken van destijds. En met ‘zelf’ bedoelde hij wellicht letterlijk zichzelf, maar gezien de reacties voelden velen zich aangesproken. En wat er vooral gebeurde was dat mensen zich gingen verdedigen over het ‘handelen van toen’. Ik ging daar zelf overigens ook in mee, tot op zekere hoogte, door te schrijven “Ja Jan, (zo heet hij….) vijftig jaar vóór onze tijd propten ze patiënten twee weken in een ligbad met hun kop door een houten plank. Dat zouden we nu ook zo één, twee, drie niet meer doen!”. Dit als reactie op het feit dat hij in het ‘nu’ (2018) vooral de situatie hekelde waarbij meerdere patiënten op één zaal sliepen; de nachtdienst al vroeg begon (in de chronische/ouderenpsychiatrie) de mensen ‘uit bed te jagen en te wassen’, waarbij de helft aan hun blote kont wezenloos over de gang liep te zwalken. Jan was, zeg maar, kritisch. En terecht. Maar het riep onmiddellijk de vraag op: is het terecht om met de kennis van nú kritisch te zijn over het handelen van tóen? Ik vind dat best ingewikkeld.

Het ingewikkelde zit ‘m volgens mij vooral in de overtuiging (en dát zie ik bij al die reacties terug!) dat we méénden dat we goed werk deden. Dat we het ‘naar beste eer en geweten’ deden. Dat we –ieder voor zich- behoorlijk ‘onbaatzuchtig’ waren. En dat we –ieder voor zich- heel bewust gekozen hadden een ‘helpend beroep’ te kiezen voor een categorie mensen waar niet iedereen meer op zit te wachten.

O, ongetwijfeld. Jan had gelijk. Er gebeurden toen dingen die zélfs met de kennis van tóen beter niet hadden kunnen gebeuren. De docenten gooiden ons dood met begrippen als ‘empathie’. Ons ‘hart voor de patiënt’ moest wat professioneel bijgeschaafd worden. Maar het wás er wel! Maar tegelijkertijd was daar die structuur van dat enorme ziekenhuis. 1200 patiënten (jawel!) waarbij vooral de chronische hap een beetje …. Ehh…. ‘verwaarloosd’ werd.

Maar in die situatie leerden wij termen kennen als ‘een therapeutische samenwerkingsrelatie’ (tussen verpleegkundige en patiënt) en het eerder genoemde ‘empathisch vermogen’ en –bovenal- de term ‘vertrouwen’. En dát brengt mij weer terug bij een eerder genoemde uitspraak: Werk je in de zorg (of welzijn) dan ‘ben je je eigen instrument’. Je hebt niks ánders in te brengen dan wie je bent. Jezelf, in de relatie met de patiënt. Met de van-jou-afhankelijke-patiënt.

Ja, Jan had gelijk. We moeten zelf-kritisch blijven en vooral ons handelen van NU spiegelen aan wat we ervaren en geleerd hebben. Maar Jan had ook een beetje niet-gelijk. Of anders gezegd: de geprikkelde zich verdedigende collega’s hadden óók een beetje gelijk: we deden het omdat we dachten dat het goed was. Omdat we goed deden. En dáár is niks mis mee! Ik hoop alleen, met terugwerkende kracht, dat ik toen, ja óók in die ‘zeventiger/tachtiger jaren’, soms een ‘Pammetje’ heb mogen zijn voor de patiënten waar ik voor mocht zorgen! En weet je… heel stiekem weet ik dat dat zo is… en daarom vind ik dit vak zo leuk. En daarom zwelg ik in sentimentele zwijmelarij bij mijn eigen opgerichte ‘X-herinneringen-site’. En daarom….deze blog. Ik hou van mijn vak. En door ‘Pam’ weet ik weer waarom!

Een reactie op “Wie ben ik?

  1. Rob Alberts zegt:

    Vroeger was alles beter?
    Vroeger en nu werden en worden er fouten gemaakt.
    Vergissingen zijn tot daar aan toe.

    Maar met de kennis van nu iets veroordelen van vroeger vind ik lastig.

    Mooi blog!

    Vriendelijke groet,

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *