Deel 1 Van De Dertien Bergpieken Van De Nada Kronieken

De dertien bergpieken

van de  Nada Kronieken – deel 1

Zeilend op de zwoele oostenwind wind zweef ik door de lucht en trots en kalm kijk ik omlaag naar het groene dal waar ik de akkers en weiden en hogerop de bossen, rotsen, kliffen en de talloze bergbeken die zich klaterend een weg zoeken naar de brede ontvangende zee kan onderscheiden. Maar bovenal bespeur ik de dertien machtige bergpieken die als een omarmend schild in hun volle majesteitelijke pracht met hun besneeuwde flanken omhoogrijzen, hun wortels diep in Moeder Aarde naar hun verblijfplaats, hoog in de strakblauwe luchten en aldus een verbinding vormend tussen het aardse en het hemelse.

Ik zal mij even voorstellen. Mijn naam is Nada en ik ben wat jullie mensen een Witte Arend noemen en hoog vanuit de wolken ben ik in staat om met mijn scherpe blik te observeren wat zich daar beneden afspeelt. Zo kan ik vanuit grote hoogten mijn prooi vinden (ja ik moet ook leven, nietwaar?) Tevens is het voor mij mogelijk om de andere leden van het dierenrijk, waaronder jullie mensen, te observeren en met de spiegels die mijn machtige vleugels vormen jullie werken en jullie streven en jullie woorden terug te kaatsen zodat je kunt zien wat jullie zo allemaal voortbrengen en op welke wijze jij – lieve mens – in staat bent om jouw gedrag en jouw relatie tot je medemens en tot de andere schepsels van de Bron naar een hogere dimensie te brengen.

Zo zal het voor anderen mogelijk worden om zich weer aan jou te spiegelen zodat ook die volgende mens en de volgende en de volgende zal kunnen worden aangeraakt. Wanneer dat een feit zal zijn dan is het voor mij niet meer nodig om die spiegel te zijn. Dan zijn jullie je eigen spiegel en zullen jullie in staat zijn om rechtstreeks met de hemelse verten te communiceren; als dat zover is zal het mogelijk zijn om jullie nu nog groene dal groen te houden en om samen met de andere dieren het paradijs te scheppen waarnaar jullie zeggen op weg te zijn. Terug naar het hier en nu.

 

Lees ook De wijze woorden van een boom over Een-heid

 

Ik slaak mijn machtige kreet en die wordt dertienvoudig teruggekaatst vanaf de machtige bergpieken en vormt een echo van klanken over het gehele dal. Die tonen vertellen jullie van Licht, Trouw en Vrede en vooral van Liefde. Want lieve vrienden. Liefde is altijd waar het om draait. Liefde is goedertieren, Liefde is zo Eén-voudig. Liefde is Licht en Vertrouwen, Schoonheid en Geven. Bovendien is Liefde Ontvangen. Kortom, Liefde IS.

Dan kijk ik weer naar de hoge berghellingen en ik zie op elke glooiing een bron. Uit elke bron klatert een kleine stroom langzaam maar onverstoorbaar over de groene bergweiden naar beneden. Dan zie ik dat het water dat zo gestaag de wetten van de zwaartekracht volgt geen gewoon water is. Het is ook Licht; het is ook Liefde en het is ook Vrede.

Alle dertien stroompjes worden beekjes; ze zoeken zich een weg over de berghellingen, langs stroomversnellingen en één voor één komen ze lager op de helling bij elkaar en vormen een steeds breder wordende stroom en tenslotte een machtige rivier. Deze Lichtrivier baant zich vlietend een weg over rotsen en watervallen, komt uiteindelijk in rustiger vaarwater terecht en wordt breder, daar waar het dal ook breder wordt en stroomt tenslotte bedachtzaam tussen de akkers en weiden door en de dorpen van de plaatsen waar de mensen wonen. De boeren pompen dat deel van het water uit de rivier dat ze nodig hebben om hun akkers te bevloeien en de dorpelingen gebruiken hun portie om te drinken.

Het leven van deze mensen is vreedzaam en de grote rivier stroomt sereen door het dal, zodat het oppervlakkig beschouwd lijkt of het aardse Paradijs nu al is gevestigd. Daar zie ik een paar bootjes op de rivier die zich naar de grote zee begeven. De vissers zullen gaan vissen, want de dorpelingen eten behalve wat hun vrienden de boeren verbouwen, ook de vis die in hun rijke zee leeft. En in het grote dierenbos zie ik een aantal mannen in groene pakken die samen met hun trouwe honden proberen om een rijke buit aan wild te verschalken, want ook de mensen moeten leven, is het niet zo?

Weer verderop zie ik een groep houthakkers. De bomen die zij van hun statige leven gaan beroven hebben zij hard nodig, verzekeren zij elkaar, want er moeten huizen worden gebouwd en een grote brug over de rivier en ik zie een groot gat in één van de berghellingen waar weer anderen erts uit de Moeder tevoorschijn halen, want dat is allemaal noodzakelijk om hun gemeenschap in stand te houden. Dat vertellen ze allemaal aan elkaar. En boven dit alles schijnt een uitbundige goudgele zon.

Het is aangenaam warm en de mensen koesteren zich in deze hemelse zonneschijn en een aantal van hen zwemmen in de machtige zee en voelen hoe heerlijk het water is dat hen omspoelt en hun lijven aanraakt met het Licht dat vanuit de dertien bronnen hoog uit de bergen is aangevoerd. En doordat het water zo warm wordt, verdampt een deel daarvan en stijgt op en in deze heerlijke thermiek wentel en koester ik, Nada, mij en zweef weer omhoog waar ik mijzelf kan baden in de warmte en de Liefde van de Hemelse rijken.

Ik zie dat de opstijgende lucht wolken worden en door de lieflijke oostenwind in de richting van de dertien bergpieken worden geblazen, waar ze tegen de zich daar bevindende luchtstromen opbotsen en in een malse regenbui leeg regenen tegen de hellingen van onze trotse bergketen. Gulzig slorpt Moeder Aarde deze regen op en voedt dit water met een nieuw Licht. Door onderaardse gangen wordt het weer naar de dertien  bronnen geleid en dan is de cirkel rond en zijn deze Wateren der Vrede klaar om opnieuw het mensdom aan te raken om het voor deze schepselen van God-Godin beschikbaar te maken om te groeien naar een nieuw en glorieus bewustzijn.

Ik, Nada, groet u allen en dank u van Harte dat u naar mij hebt willen luisteren.

Namasté

© Hans Brockhuis – 2000

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *